| Paardenbloem | |||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
| Soort | |||||||||||||||||||
| Taraxacum officinale F.H.Wigg. (1780) |
|||||||||||||||||||
Bloemknop |
|||||||||||||||||||
Bloem |
|||||||||||||||||||
Holle stengel met sap |
|||||||||||||||||||
Vruchtpluis |
|||||||||||||||||||
Vruchten |
|||||||||||||||||||
De paardenbloem (Taraxacum officinale) is een soort uit de composietenfamilie (Asteraceae). In deze familie zijn bloemen sterk gereduceerd en klein en staan dicht bij elkaar in een bloemhoofdje. Paardenbloemen zijn heel algemeen. In april kunnen ze hele weilanden geel kleuren. Maar dat neemt niet weg dat bepaalde micro-soorten en secties zeldzaam kunnen zijn.
De paardenbloem komt van oorsprong voor in Afrika, Azië en Europa en is door toedoen van de mens over vele andere plaatsen verspreid.
In Nederland zijn tenminste 250 micro-soorten bekend. Een micro-soort is een kloon of mengsel van klonen, die morfologisch onderscheidbaar zijn van elkaar. Omdat er zeer veel kruisingen tussen de micro-soorten voorkomen, worden ze door de Heukels' Flora van Nederland niet meer als aparte micro-soorten gezien en zijn de volgende secties en soorten tot wat wel wordt aangeduid als Taraxacum officinale agg. G.H.Weber ex F.H.Wigg.) samengevoegd:
Het bloemhoofdje wordt door velen aangezien voor een bloem, maar is feitelijk een hele verzameling kleine bloemetjes. Het bloemhoofdje van een paardenbloem bestaat uit alleen gele lintbloemen. De pappus (gereduceerde kelk) bestaat uit haren. Zie voor verdere uitleg composietenfamilie. De stengel is altijd hol en heeft nooit bladeren. De bladeren staan in een rozet bij elkaar. Ze zijn diep ingesneden tot bochtig getand. Bij kneuzing vloeit uit de plant een witte vloeistof, die paardenbloemenmelk wordt genoemd. Deze laat bruine vlekken achter.
De wortel is een penwortel die decimeters diep de grond in kan dringen. Wanneer hij afbreekt op behoorlijke diepte kan deze zich herstellen en meerdere rozetten geven.
De voortplanting van paardenbloemen vindt voor een groot deel plaats door middel van agamospermie, d.w.z dat het vruchtbeginsel kan uitgroeien tot een zaad zonder dat de eicel bevrucht is geweest. De paardenbloem kloont zichzelf op deze manier. Daardoor zijn er grote groepen paardenbloemen die weinig van elkaar verschillen en deze worden micro-soorten genoemd. In Nederland zijn er minimaal 250 micro-soorten gevonden. Deze micro-soorten worden samengevoegd tot secties. Deze worden in diverse flora's beschreven in plaats van de soorten. De paardenbloem kan zich echter ook voortplanten door middel van bevruchting.
De zaden worden door de wind verspreid (anemochorie) doordat aan het zaad een soort parapluutje, het vruchtpluis of pappus, zit. De pappus is in feite de bloemkelk. Het vruchtpluis zit vast op een steeltje (het rostrum), daaronder zit de piramide en het vruchtlichaam. Dit laatste heeft ribben en bevat veelal stekels aan de bovenkant. De kleur van het vruchtlichaam is een determinatiekenmerk.
Het melksap bevat eiwit, hars, taraxarine en taraxine.
Paardenbloemen worden ook wel gegeten. Bladeren worden hiertoe overdekt met zand, waardoor ze verbleken. Ze worden dan molsla genoemd. Het is het jonge blad van de paardenbloem. Vroeger werd in de lente in molshopen naar gebleekte paardenbloembladeren gezocht, vandaar de naam molsla.
Door veredeling is een verbeterde, bladrijke molsla verkregen. Molsla wordt op diverse markten in Europa als malse voorjaarsgroente aangeboden. In Nederland en België is het niet ruim verkrijgbaar.
Van de bloemen kan op eenvoudige wijze een honing-achtige siroop worden gekookt, met name in Duitsland bekend. Dit wordt dan op dezelfde manier als honing genuttigd. Recept
In de iconografie is de paardenbloem het symbool en attribuut van de gematigdheid. Ook is het een christelijk symbool van rouw.
De paardenbloem is in het noorden bekend als hondstong (Drenthe) en als hondebloem (Groningen). In het Nederlands is hondstong ook de benaming voor een andere plantesoort. In het zuiden (Limburg) en in Vlaanderen (België) wordt de paardenbloem ook wel pisbloem genoemd. In verschillende delen van (Zeeland) kan de naam variëren van pissebed, pissebaede tot pisseblomme. De naam Pisbloem of pissebed slaat op een (kennelijk) urine-afdrijvend effect van de plant wanneer de bladeren gegeten worden. In gedeelten van (Gelderland) wordt het wortelrozet kettingspol genoemd. Maar ook de naam melkwiet komt veel voor in (Zeeland). Andere namen zijn konijnenbladeren (bijvoorbeeld op Texel) of brievenbesteller (In West-Friesland). De laatste naam slaat op het vruchtpluis dat wanneer ertegen aangeblazen werd, wegdreef om als het ware de zaden die er aan hingen als brieven te bestellen