De kapucijner is een plant die behoort tot de erwt (Pisum sativum).
Kapucijners bloeien met purperen bloemen en de peulen zijn blauw gekleurd.
![]()
Er zijn rassen met langstro (rijs- of klimerwten) en met kortstro.
Blauwschokkers worden gezaaid in januari en februari onder platglas. Bij het uitplanten in maart en april wordt de hoofdwortel ingekort om de vorming van zijwortels te stimuleren. Het planten gebeurt in dubbele rijen of een enkele rij aan kippegaas of rijshout. Blauwschokkers kunnen 150 tot 200 cm hoog worden. Ook is er een kortstro ras, 'Desirée', dat tot 75 cm hoog wordt.
Blauwschokkers worden vanaf half juni tot augustus geoogst. Ze kunnen rijper geoogst worden dan de erwten, omdat ze minder gauw melig en hard worden.
De voedingswaarde van 100 gram verse kapucijners is:
| Energetische waarde | 418 kJ | |
| Koolhydraten | 18 gram | |
| Eiwit | 6 gram | |
| Vet | 0,4 gram | |
| Vitamine C | 2 mg | |
| Vitamine B1 | 0,08 mg | |
| Vitamine B2 | 0,08 mg | |
| Calcium | 35 mg | |
| IJzer | 1,9 mg |
Een belangrijke virusziekte is topvergeling. Deze ziekte wordt door bladluizen overgebracht van luzerne op kapucijners, erwten en tuinbonen. Topvergeling komt het meeste voor in het zuiden, zuidwesten en Flevoland.
Een algemene benaming voor de kapucijner is 'velderwt'. Oude benamingen: schokkererwt, vale erwt en grauwe erwt. In de krijgsmacht (marine en landmacht) worden kapucijners vanouds 'raasdonders' genoemd. De Texelse bijnaam is 'grauwe ganzen'.